Moeten

Een van de grootste uitdagingen van een leraar is om de eigen rust te bewaren wanneer de onrust toeneemt.
Die eerste zin bij een bericht op internet zorgde ervoor dat ik het hele stuk heb gelezen. Wat voor een leraar op de basisschool geldt, geldt namelijk ook heel vaak voor een zwemonderwijzer.

Aan het begin van mijn carrière in het zwemonderwijs wist ik uiteraard nog niet zoveel als ik nu weet. Met een opleiding aan de ALO als bagage heb je overigens wel meer pedagogische kennis dan wanneer je alleen een cursus zwemonderwijs hebt gevolgd. Daar mag wat mij betreft best eens kritisch naar worden gekeken, want binnen zo’n cursus wordt een stukje pedagogiek echt gemist.

De kinderen van nu zijn natuurlijk ook anders dan de kinderen aan wie ik vroeger lesgaf. Eén ding is echter hetzelfde gebleven: het zijn energieke wezens, die allemaal opgroeien in hun eigen omgeving en hun eigen belevingen en emoties met zich meedragen.
Op het moment dat ze naar de zwemles komen, hebben ze vaak al een hele schooldag achter de rug. Alles wat er die dag is gebeurd, nemen ze wellicht mee naar de zwemles. Het ene kind heeft daar helemaal geen last van, terwijl een ander hierdoor al moe aan de les begint.

Daarbij ‘moeten’ kinderen ook nog eens heel veel. Ze moeten van hun ouders naar de zwemles. Ze moeten zwemmen op een tijdstip dat voor hun ouders het beste uitkomt. Ze moeten in een groep zwemmen met kinderen die ze helemaal niet kennen. En nadat ze de hele dag naar de leerkracht op school hebben geluisterd, moeten ze vervolgens ook nog naar ons als zwemonderwijzers luisteren.

Ga er maar aan staan!

Als ik dit zo opschrijf, is het eigenlijk best bijzonder dat de meeste kinderen gewoon goed hun best doen en vaak nog ontzettend vrolijk zijn. Het is een van de redenen waarom kinderen tijdens mijn zwemlessen regelmatig keuzevrijheid krijgen. Iets wat naar mijn mening heel belangrijk is.

Het geeft ze een moment waarop ze even kunnen ontspannen en zelf mogen kiezen, uiteraard binnen bepaalde kaders. Ze kiezen bijvoorbeeld hoe ze zwemmen, hoe ze in het water springen of laten het lot bepalen welke opdracht ze uitvoeren. Dat voelt toch anders dan wanneer een zwemonderwijzer steeds vertelt wat ze moeten doen.
En weet je wat daar zo mooi aan is? Ook op die momenten leren ze gewoon beter zwemmen!

Elke meter die een kind in het water aflegt, draagt bij aan zijn of haar zwemvaardigheid. Wij hoeven niet voortdurend boven op een kind te zitten en te vertellen wat er wel of niet goed gaat. Door zelfstandig bezig te zijn, ontdekken en leren kinderen ook zelf.
Laat ze tijdens zo’n moment een bekende vaardigheid oefenen, maar dan in een andere situatie. Maak er vooral iets leuks van, zodat ze gemotiveerd blijven om te zwemmen. Een eenvoudige oefening waarbij ze met een dobbelsteen gooien om te bepalen welke zwemslag ze gaan zwemmen, is vaak al genoeg. Ze willen daarna snel terug zijn om opnieuw met die dobbelsteen te mogen gooien. Ondertussen maken ze ongemerkt heel wat zwemmeters.

Het fijne is dat dit ook rust oplevert voor de zwemonderwijzer. Op dat moment hoef je je aandacht over minder kinderen te verdelen. Jij kunt je richten op het andere, kleine groepje waaraan je iets nieuws wilt leren. Juist dan ontstaat er ruimte om in alle rust de verbinding met de kinderen te zoeken.
Dat geeft rust voor jou als zwemonderwijzer, maar ook voor de kinderen. Ze krijgen meer vertrouwen in jou én in zichzelf, omdat jij de tijd hebt om ze op hun eigen niveau te helpen.

Misschien zit de kracht van een goede zwemles daarom niet in nóg meer moeten, maar juist in af en toe mogen. Want wanneer kinderen ruimte krijgen, ontstaat er rust. En juist vanuit die rust ontstaat er ruimte om te leren.