Spelen is leren

Deze week las ik een artikel over de gevolgen van minder spelen, minder buitenspelen en meer tijd achter een scherm. We zijn inmiddels Europees kampioen stilzitten en maar liefst 400.000 kinderen in Nederland spelen nooit buiten. Hoe dan? Ik kan me daar eerlijk gezegd niets bij voorstellen.
Het wordt nog erger. Eén op de vijf basisschoolkinderen kan geen bal vangen. Wat? Eén op de vijf! Te bizar voor woorden.

Toch zien wij dit tijdens de zwemlessen ook terug. De motorische vaardigheden van kinderen zijn de afgelopen jaren zichtbaar achteruitgegaan. Wanneer ik ouders van kinderen met balansproblemen vraag of hun kind al kan fietsen, krijg ik regelmatig te horen dat het kind nauwelijks fietst. Ik weet niet hoe dat bij jullie ging, maar mijn kinderen fietsten op die leeftijd overal naartoe. In weer en wind. Tegenwoordig lijkt het soms alsof iedereen met de auto naar school wordt gebracht.

Langzaam raken we iets kwijt wat vroeger heel vanzelfsprekend was: spelen. En laat spelen nu juist één van de krachtigste manieren van leren zijn voor een kind. Dat is ook de reden waarom ik tijdens de zwemlessen zoveel gebruikmaak van spelvormen. De kracht daarvan is dat kinderen motorische vaardigheden het beste ontwikkelen in gevarieerde, speelse situaties waarin ze moeten ontdekken, aanpassen, reageren en problemen oplossen.

Wanneer een kind bezig is met spel:

  • verdwijnt de focus op “ik moet oefenen”;
  • neemt de intrinsieke motivatie toe;
  • ontstaat er minder weerstand;
  • durven kinderen meer uit te proberen;
  • wordt leren gekoppeld aan een positieve emotie.

De hersenen slaan ervaringen die gekoppeld zijn aan plezier en succes namelijk veel beter op dan ervaringen die als saai of verplicht worden ervaren.

Misschien verklaart dat ook waarom kinderen tijdens speelse zwemlessen vaak vrolijker zijn, minder zeuren en het ineens niet meer koud lijken te hebben. Een ander voordeel van spelen tijdens de zwemles is dat water nooit voorspelbaar is. Wij moeten kinderen voorbereiden op allerlei situaties die ze later kunnen tegenkomen. En juist daarvoor zijn spelvormen ideaal.

Door veel variatie aan te bieden, creëren we onverwachte omstandigheden waarin kinderen leren hun vaardigheden flexibel toe te passen. Dat vergroot niet alleen hun motorische ontwikkeling, maar ook hun waterveiligheid.

Urenlang elke les tien keer heen en weer schoolslag zwemmen is dan ook niet meer van deze tijd. Er heeft namelijk een verschuiving plaatsgevonden. Van:

“Ik kan een zwemvaardigheid uitvoeren.”

naar:

“Ik weet wanneer en hoe ik die zwemvaardigheid moet gebruiken.”

In zwemlessen leren kinderen dus niet zwemmen ondanks het spelen, maar juist dankzij het spelen. Door vaardigheden steeds opnieuw toe te passen in wisselende situaties leren kinderen zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Dat maakt hen niet alleen betere zwemmers, maar vooral veiligere en zelfverzekerdere kinderen in het water.

Dat sluit bovendien naadloos aan bij de huidige inzichten over motorisch leren, waarin variatie, plezier en zelf ontdekken steeds belangrijker worden gevonden dan het eindeloos herhalen van dezelfde oefening. Uiteraard dient er wel een doel achter een spelvorm te zitten, maar dat is niet zo heel moeilijk. Spelvormen lenen zich prima voor je lesdoelen.

Wanneer een ouder dus zegt: “Ze zijn alleen maar aan het spelen in de les…” Dan reageer ik standaard met:
“Gelukkig, dan zijn ze tenminste écht iets aan het leren.” 😉